Pieter A. Siebesma

De Joods-christelijke gemeente van Jeruzalem

Inleiding

De eerste volgelingen van Jezus waren Joden. De drieduizend mensen die op de eerste Pinksterdag tot bekering kwamen, waren allen Joden of Jodengenoten (mensen die wel de Joodse godsdienst aanhingen, maar (nog) niet officieel Joods waren geworden). Pas in Antiochië werden de gelovigen van de Weg voor het eerst christenen genoemd.
Dit is algemeen bekend, maar omdat we vaak naar Bijbelgedeelten kijken met de bril van onze kerkelijke achtergrond, realiseren  we ons niet altijd ten volle wat het Jood zijn voor deze eerste christenen inhield.
In dit artikel wil ik stilstaan bij de plaats waar het begon: de Joods-christelijke gemeente in Jeruzalem. Wat hield het Jood zijn in voor deze eerste christenen? In een volgend artikel wil ik specifiek ingaan op de Joods-christelijke gemeenten in de rest van het land Israël in de eerste eeuwen.

De gemeente van Jeruzalem

De eerste gemeente in Jeruzalem heeft maar kort bestaan. Voor de verwoesting van deze stad in het jaar 70 door de Romeinen hadden de Joodse christenen al de wijk genomen naar Pella, een Griekssprekende stad, die niet onder het gezag van Judea viel. Ze herinnerden zich dat Jezus in zijn rede over de laatste dingen al had aangekondigd dat de tempel verwoest zou worden (Matth. 24:2). Maar al veel eerder hadden vele gelovigen de stad verlaten. Na de steniging van Stefanus vond er een zware vervolging plaats, waarbij alle  gelovigen verstrooid werden over Juda en Samaria. Alleen de apostelen werden ongemoeid gelaten, maar omdat zij bleven getuigen en prediken, groeide de gemeente in Jeruzalem weer opnieuw. Dat blijkt uit het feit dat hier later een vergadering van apostelen en oudsten werd gehouden naar aanleiding van de vraag of de gelovigen uit de heidenen besneden dienden te worden (Hand. 15). Het aantal gelovigen in de stad is niet bekend, maar het moeten er vele duizenden zijn geweest. Veel geleerden menen dat het boek Handelingen het aantal van deze Joodse christenen overdrijft, maar dat is niet juist. We dienen te bedenken, dat Jeruzalem in de eerste eeuw mogelijk 100.00 inwoners telde en dat percentueel gezien de Joodse gelovigen tussen de vijf en tien procent van de bevolking hebben uitgemaakt. De gemeente van Jeruzalem was ook uniek, omdat ze nagenoeg alleen uit Joodse gelovigen bestond.

Jeruzalem in het orthodoxe Jodendom

De stad Jeruzalem neemt een belangrijke plaats in binnen het orthodoxe Jodendom. Dat was in de eerste eeuw al zo en ook vandaag de dag. Jeruzalem was de stad waar de tempel stond, de meest heilige plek van het Joodse volk. Van Joden in de diaspora werd verwacht dat ze drie maal per jaar naar Jeruzalem zouden optrekken tijdens de grote feesten Pesach (Pasen), Sjawoe’ot (Pinksteren) en Sukkot (Loofhuttenfeest). Op basis van het aantal lammeren dat in de tijd van Jezus werd geslacht tijdens het paasfeest, heeft men wel berekend dat er twee miljoen pelgrims naar Jeruzalem trokken. En ook nadat de tempel was verwoest en Jeruzalem was verlaten, bleef de gerichtheid op Jeruzalem bestaan.

In het huidige Jodendom komt dat tot uiting doordat men nog steeds , als men bidt, in de richting van Jeruzalem bidt. De rabbijnen verwijzen hiervoor naar 1 Kon. 8: 48,49, het gebed van Salomo. Hieruit trokken zij twee con­clusies:
In de eerste plaats bereikt het gebed dat wordt gebeden buiten het land Israël, God in de hemel via het land, de stad en de tempel. Dat wil zeggen, er bestaat een directe verbin­ding tussen de hemel, waar God troont en de Tempel en de stad Jeruzalem. Vandaar dat wanneer iemand bidt, zijn gebed in de richting van Israël en van Jeruzalem gaat om vervolgens op de plaats, waar de Tempel staat op te stijgen naar de hemel. De plaats van de Tempel zou dan volgens deze opvatting het dichtst bij de hemel liggen.
In de tweede plaats dat men daarom in de richting van Jeruzalem diende te bidden.

En ook na de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen in het jaar zeventig en de vernietiging van de Tempel, bleef in de Joodse gebeden het land Israël en de stad Jeruzalem een zeer centrale plaats innemen. Nog steeds bidden Joden minimaal drie keer per dag of men mag terugkeren naar Jeruzalem, dat Jeruzalem en de tempel herbouwd mogen worden en dat de Messias mag komen om te heersen op de troon van zijn vader David in Jeruzalem.

Jeruzalem bij de Joodse christenen

Opmerkelijk is, dat we diezelfde gerichtheid op Jeruzalem ook aantreffen bij de eerste Joodse Christenen. De oorspronkelijke aanhang van Jezus bestond vooral uit mensen uit Galilea. Na de uitstorting van de Heilige Geest in Jeruzalem keerden ze niet terug naar Galilea, maar bleven in Jeruzalem wonen en daar getuigden ze dat Jezus de Messias is. Net als de orthodoxe Jden waren ze doordrongen van de tekst Jes. 2:3 “Want uit Sion zal de wet uitgaan en des HEEREN woord uit Jeruzalem”. Deze tekst werd in hun tijd vervuld en daarom diende het evangelie vanuit Jeruzalem verspreidt te worden. (Hand. 1:8).

Het hele huis van Israël moest weten dat de gekruisigde Jezus de Messias is (Hand. 2:36). Omdat Jeruzalem tijdens de grote feesten door talloze Joden uit de gehele wereld werd bezocht, was dit ook een geschikte plaats, zoals ook later de gemeente van Rome, hoofdstad van het Romeinse wereldrijk, een geschikte plaats zou worden voor de verkondiging van het evangelie.

Wanneer Paulus in 1 Cor. 14:36 de gemeente van Korinthe vermaant met: “Is het Woord Gods van u uitgegaan? Of is het tot u alleen gekomen?”, dan refereert hij aan de plaats waar het begon, Jeruzalem. Dat is ook de reden dat de apostelen preekten en getuigden van Jezus en zieken genazen in de meest centrale plaats van het Joodse volk, de tempel. (Hand. 3:11-26, 5:12, 21-26, 42). We lezen dat de gemeente in kleine groepen bijeenkwam in de huizen, maar in zijn totaliteit in de tmpel, in de zuilengang van Salomo. Je vraagt je af of ze zich wel ten volle realiseerden, dat het evangelie dat ze verkondigden de tempel en haar eredienst  overbodig maakte. De autoriteiten van de tempel en de Sadduceeen begrepen dat wel. Het is niet toevallig dat de eerste twee botsingen tussen de autoriteiten en de gelovigen, beschreven in het boek Handelingen, plaats vonden in de tempel. In Hand. 4 lezen we dat Petrus en Johannes, tijdens een preek in de tempel werden gearresteerd. Ze krijgen een verbod om het evangelie te prediken en worden dan vrijgelaten. Maar omdat ze zich daar niet aan houden, worden de apostelen een tweede keer gearresteerd in de zuilengang van Salomo, gevangengezet en komen door bemiddeling van een engel des HEEREN weer vrij (Hand. 5:17).

Opmerkelijk is dat we deze gerichtheid op Jeruzalem ook aantreffen bij Joodse Christenen in de negentiende eeuw, in wat wel de bloeiperiode van de Jodenzending wordt genoemd. In deze tijd kwamen voor het eerst sinds de beginperiode van het christendom weer veel joden tot geloof in Jezus de Messias. Velen van hen werden zendeling onder hun eigen volk en het is opvallend dat ze vaak met hun arbeid begonnen in Jeruzalem. Dat is des te opmerkelijk, omdat het aantal Joden dat daar toen woonde minimaal was en Jeruzalem in die tijd een zeer ongezonde plaats was om te leven, omdat er veel malaria voorkwam. Bijvoorbeeld Rev. Aaron Bernstein, afkomstig uit een chassidisch milieu in Galicie, Polen, kwam door het lezen van het Nieuwe Testament tot bekering en na het voltooien van zijn theologische opleiding in 1871 werd hij als zendeling naar Jeruzalem uitgezonden. Bernstein moest na anderhalf jaar zijn werk daar dan ook opgeven vanwege zijn gezondheid. Veel Joods-christelijke zendelingen begonnnen hun werk in Jeruzalem en een aantal van hen is daar ook aan diverse ziekten overleden.

De Zesdaagse Oorlog en de verovering van het oostelijk deel van Jeruzalem in 1967 heeft een enorme invloed gehad op het bewustzijn van de Joden wereldwijd. Een van de gevolgen na 1967 is het ontstaan van de Messiaanse beweging. Ook vandaag de dag zien we bij messiasbelijdende Joden een grote gerichtheid op Jeruzalem.

Joodse gebruiken in de gemeente van Jeruzalem

Veel van wat we in Handelingen lezen, kunnen we pas goed begrijpen, wanneer we de Joodse context er bij betrekken. Zo wordt van de eerste gemeente in Jeruzalem gezegd “En zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden.” (Hand. 2:42, 46) Het breken van het brood vond plaats in de woonhuizen. Er is altijd veel discussie geweest onder de commentatoren of hier sprake was van gemeenschappelijke maaltijden of van avondmaalsvieringen.

Wanneer we beseffen dat het hier gaat om gelovigen met een joodse achtergrond, ligt het voor de hand te denken aan het gebruik dat ook vandaag de dag bij orthodoxe joden voorkomt, nl. dat men aan het begin van bijvoorbeeld een sabbatsmaaltijd brood breekt en wijn drinkt. De uitdrukking ‘breken van brood’ wordt in het Hebreeuws batsa’ lechem of batsa’ pat genoemd. Hiermee wordt echter niet de alleen de handeling van het breken zelf bedoeld, maar dit omvat ook het opzeggen van de zegenspreuk (beracha), die men verplicht is hiervoor op te zeggen.
De Joodse christenen in de eerste eeuw waren van huis uit vertrouwd met het gebruik brood te breken en de beracha daarover uit te spreken bij het begin van iedere maaltijd, waarin brood werd gebruikt, en met het gebruik brood te breken en wijn te drinken aan het begin van de maaltijd bij het ingaan van een sabbat of joodse feestdag.  Je zou kunnen aannemen, dat men het breken van het brood en het drinken van de wijn specifiek betrok op de het sterven en de opstanding van de Messias. Daarom kun je dit geen avondmaalsviering in de klassieke zin des woords noemen.

Evenzo namen de Joodse christenen deel aan de gebedsdiensten in de Tempel. Het is niet duidelijk of ze eigen gebedsdiensten hielden of dat ze samen met de andere Joden deel namen aan de algemene diensten in de tempel. Na de verwoesting van de tempel zou dat niet meer mogelijk zijn. Binnen het Jodendom speelt liefdadigheid en hulp aan armen een belangrijke rol. In de Misjna treffen we een uitspraak aan van Simeon de Rechtvaardige (Spreuken der Vaderen 1:2), die stelde dat de wereld rust op drie dingen, op de Thora, de dienst aan God en de liefdadigheid.

Het spreekt dan vanzelf dat de Joodse volgelingen van Jezus uitmuntten in de hulp aan behoeftigen en armen. In Hand. 4:34 lezen we, dat er geen gemeentelid behoeftig was, omdat rijke leden stukken grond en huizen verkochten en het geld aan de apostelen gaven. Als in Hand. 6 gemor ontstaat bij de Grieks sprekende Joden, omdat hun weduwen verwaarloosd worden, nemen de apostelen meteen maatregelen. Er worden zeven diakenen aangesteld. Net als vandaag de dag vestigden in de eerste eeuw zich veel bejaarde echtparen zich in Jeruzalem om daar de laatste jaren van hun leven door te brengen en om uiteindelijk in Jeruzalem begraven te worden. Omdat ook toen vrouwen ouder werden dan mannen, waren er veel alleenstaande weduwen, die afhankelijk waren van hulp. Er waren veel Joodse organisaties in Jeruzalem die hulp en voedsel verschaften aan deze weduwen en zo ook de christelijke gemeente van Jeruzalem.

Dit artikel is afkomstig uit het maandblad Hadderech van oktober 2017