Tempel-model, Israël-museum Jeruzalem (begin jaartelling)

Pieter A. Siebesma

De Joods-christelijke gemeente van Jeruzalem

Inleiding

De eerste volgelingen van Jezus waren Joden. De drieduizend mensen die op de eerste Pinksterdag tot bekering kwamen, waren allen Joden of Jodengenoten (mensen die wel de Joodse godsdienst aanhingen, maar (nog) niet officieel Joods waren geworden). Pas in Antiochië werden de gelovigen van de Weg voor het eerst christenen genoemd.
Dit is algemeen bekend, maar omdat we vaak naar Bijbelgedeelten kijken met de bril van onze kerkelijke achtergrond, realiseren  we ons niet altijd ten volle wat het Jood zijn voor deze eerste christenen inhield.
In dit artikel wil ik stilstaan bij de plaats waar het begon: de Joods-christelijke gemeente in Jeruzalem. Wat hield het Jood zijn in voor deze eerste christenen? In een volgend artikel wil ik specifiek ingaan op de Joods-christelijke gemeenten in de rest van het land Israël in de eerste eeuwen.

Lees meer...

Prof. Dr. Pieter A. Siebesma

De afgelopen jaren is een aantal studies verschenen over de lotgevallen van de Joodse christenen tijdens de Holocaust. Voor die tijd was er weinig aandacht voor deze groep, niet alleen omdat ze een minderheid vormden onder de zes miljoen Joden die werden vermoord, maar ook vanwege de moeizame relatie tussen orthodoxe Joden en gedoopte Joden.

Lees meer...

Citaten van Joodse christenen

Jezus Christus werd als Koning van Israël bekend gemaakt door de engel bij de aankondiging (aan Maria): “God de Heere zal Hem het koninkrijk van zijn vader David geven en Hij zal over het huis van Jacob koning zijn in eeuwigheid (Luk. 1: 32 en33)”. Heeft Maria aan deze woorden een zogenaamd geestelijke zin kunnen hechten? Of is er nadien een andere engel gekomen om voor latere tijden de letterlijke zin van deze woorden weg te nemen?


(Isaäc da Costa, Vijfentwintig stellingen over de nationale wederoprichting van Israël en de wederkomst van de Heere Jezus Christus in heerlijkheid, aangeboden aan de Vergadering van Evangelische Christenen te Parijs, in hun zitting van 30 augustus 1855)