Max HartMax Hart

Deze maand voelden we het 85-jarige Hadderech-lid Max Hart aan de tand over zijn Joods-christelijke identiteit. Hieronder zijn verhaal.

Geschaafde kokosnoot

Op 8 mei1930 werd ik in Groningen geboren. Ons gezin bestond naast mezelf uit vader, moeder en twee zussen. Mijn vader heette Julius Hart en mijn moeder was een Jacobi. We woonden in de joodse buurt van Groningen en af en toe gingen we naar sjoel. Op sjabbes-avond kregen we als kinderen na het eten pinda’s en geschaafde kokosnoot met geschaafde chocola. Ik zat op een openbare school met veel andere joodse kinderen. 

Als huidenhandelaar had mijn vader vrijstelling van tewerkstelling in Duitsland gekregen. Huiden waren namelijk belangrijk voor de legeruitrusting van de Duitsers.

In 1943 werd deze vrijstelling opgeheven en zijn we ondergedoken. We zaten allemaal op verschillende adressen, ik in Baflo. Mijn ouders hebben de oorlog overleefd maar zijn daar getraumatiseerd uitgekomen. In juni 1945 gingen ze scheiden.

 

Antisemitisme

Ik voel me erg betrokken bij het joodse volk. De vermoedelijke reden is ons gemeenschappelijke lijden door het antisemitisme. Bovendien heb ik hetzelfde bloed. Ik voel me als een van hen.

Ook na de oorlog heb ik met antisemitisme te maken gehad. Bij mijn toenmalige werkgever, begin jaren vijftig van de vorige eeuw werd ik door een collega uitgescholden: “Ze hadden jou ook moeten vergassen.”

Hij had de pech dat er een deur openstond waardoor ik hem naar beneden gooide. Gelukkig kwam hij op het zeil van een vrachtauto terecht en ìk had ook geluk doordat de politieman die met het onderzoek belast was Joods was en de zaak in de doofpot gestopt heeft. Tegenwoordig zou ik anders reageren. Als ze iets tegen me zouden zeggen over mijn Joods-zijn, dan zou ik antwoorden: “Christus is ook Joods”.

Kestengen

Koken is een uit de hand gelopen hobby van me. Ik eet graag zelfgemaakte perenkoggel, en natuurlijk kippensoep, en kastanjesoep, in het Jiddisch kestengen genoemd. Joodse boterkoek is veel en veel lekkerder dan Hollandse boterkoek. Dat komt doordat het deeg in een koude oven gaat, in tegenstelling tot de gewone boterkoek die in een warme oven gaat. Gemberbolussen maak ik niet zelf. Die haal ik in het restaurant in de kelder van het Joods Historisch Museum in Amsterdam. Je moet ze daar wel vooraf bestellen.

De rabbijnen en dè Rabbi

Met wat de rabbijnen allemaal gezegd hebben houd ik me niet zo bezig maar wat dè Rabbi gezegd heeft is heilig voor me. Volgens mij was het niet Gods bedoeling dat de Joden een eigen godsdienst, uitsluitend voor zichzelf zouden hebben. Het was wel zijn bedoeling dat het voorgeleefd en verbreid zou worden onder de volkeren. De feesten die Hij heeft gegeven zijn bedoeld om ons en de volkeren te laten zien wat God voor ons gedaan heeft, om je op de Here te concentreren. Omdat dat bij Messiasbelijders toch al gebeurt, hecht ik niet zo erg aan het strikt onderhouden van de sjabbes en de feesten.

Het enige feest waar ik me aan houd is Pesach. Dan eet ik matses en houd ik me aan de voorschriften. En met Chanoeka ben ik erbij als er in het Joodse museum in Elburg een Chanoeka-kandelaar aangestoken wordt door opperrabbijn Jacobs. Soms verwelkomen we de sjabbat maar niet wekelijks. Aan de spijswetten houd ik me niet meer sinds mijn onderduiktijd en het uiteenvallen van ons gezin en de Joodse gemeenschap na de oorlog. Bovendien zegt de Here Jezus in Rom. 14:14 dat in zichzelf niets onrein is. Maar krijg ik Joodse eters dan is alles koosjer.

Thuiskomen

Met de staat Israël voel ik mij zeer verbonden, omdat het land door God beloofd is aan het Joodse volk en Jezus op die plaats zijn koninkrijk gaat vestigen. Gods zetel zal dan in Jeruzalem staan. Als ik in Israël ben, kom ik thuis. Bij de Klaagmuur voel ik echt de aanwezigheid van Hasjem. Voor zover ik weet heb ik geen familie in Israël.

Vijf keer ben ik er geweest. De laatste keer, ongeveer vijf jaar geleden, hadden we 14 dagen een appartement in Jeruzalem en een auto gehuurd.

“Och Heer, leer dat ik me bekeer”

Tijdens mijn onderduik zat ik bij een christelijke familie die geen kinderen hadden. De vrouw des huizes las altijd voor uit de Bijbel, uit het Nieuwe Testament. Dat intrigeerde me. Op latere leeftijd heb ik er veel studie van gemaakt en heb er vaak met andere christenen over gesproken. Het heeft lang geduurd voordat ook ik de Messias aannam. Ik maakte namelijk de vergissing dat ik steeds naar de mensen keek die zijn naam droegen.

Toen ik uit Amerika terugkwam, waar ik 12 jaar woonde, kreeg ik mijn schoonvaders Bijbel. Hij schreef er een opdracht in en tien dagen later overleed hij. Niet veel later stierf mijn vrouw. Op het kerkhof schoot het volgende gebed door me heen: “Och Heer, leer dat ik me bekeer.” Ik had geen idee waar dit vandaan kwam, ik had het in elk geval nooit eerder gehoord. Thuisgekomen heb ik toen die Bijbel uit de kast gehaald en nooit meer losgelaten.

Een jaar later kreeg ik een nieuwe relatie. We zaten televisie te kijken naar een EO-programma over verlaten zijn als gevolg van een scheiding of van sterfte. Toen zei ik “hier zou ik wel op willen reageren.” Mijn vrouw reageerde met “dat moet je doen, ik blijf net zolang op tot je verbinding hebt.”

Via de EO kwam ik in contact met ds. Germs, een Christelijk Gereformeerd predikant in Zwolle. Hij gaf me catechisatie en op een nacht kwam opeens een heel helder licht in mijn slaapkamer. Tot drie keer toe. Ik hoorde een stem die zei: “Als je van me houdt, laat je je dopen.” Dat heb ik toen gedaan.

Ik weet zeker dat Jesjoea mijn verlosser is, mijn vriend, mijn trooster en mijn brug naar God. Ik voel me echt verzoend met God. Als je begrijpt wat Christus voor je gedaan heeft en nog doet, dan kun je niet anders dan dankbaar zijn en proberen Hem zo goed mogelijk te dienen.

Ik denk trouwens dat, wanneer je een persoonlijke relatie met Christus hebt, het feit dat je Joods bent niet uitmaakt.

Vergeten te schieten

Mijn relatie met de kerk is redelijk. Ik was ouderling in Zwolle en daar wilden ze praktiserende homoseksuele paren aan het avondmaal en als ambtsdragers toelaten. Dat ging mij te ver. Nu ben ik bij de Vrije Evangelische kerk maar daar doet zich hetzelfde euvel voor. De mensen verwachten dat God zich aan ons aanpast. Ze maken er een knuffelgod van die alles goed vindt. Er is weinig Bijbelkennis, zelfs bij ambtsdragers.

Naar mijn idee lezen Messiasbelijdende Joden de Bijbel vaak anders dan niet-Joden. Voor mij begint het evangelie in Genesis 1 en eindigt bij Openbaring 22. Als je een huis bouwt kun je niet met de tweede verdieping beginnen. Als ik de Bijbel lees dan vraag ik me af “wat staat er eigenlijk en wat wil God me hier vertellen?” Het liefst lees ik de Complete Jewish Bible van David Stern, daarna komt de Statenvertaling en dan de Herziene Statenvertaling.

Wat mij in de kerk ook opvalt is dat ze het vaak over de beer hebben maar vervolgens vergeten hem te schieten. Er wordt wel gesproken over vergeving maar er wordt niet verteld hoe je die kunt krijgen. Terwijl het zo simpel is, want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Het komt er dus alleen op aan dat we op Hem vertrouwen.

Dit interview stond in het maandblad Hadderech van maart 2016.