Interview (audio) met M.W. Eberlé-Gotlib uit 1983:

Interview met mevrouw M.W. Eberlé-Gotlib door ds. C. van Atten

in: Vrede over Israël
jaargang 41, nr. 1 
feb. 1997

In een boekje als dit mag zeker niet ontbreken een gesprek met iemand uit de wereld van de Messias-belijdende Joden.

Een zeer markante persoonlijkheid binnen deze wereld is mevrouw Eberlé-Gotlib te Rotterdam. Ze geeft al jarenlang leiding aan de vereniging ‘Hadderech’ (Hebreeuws voor: de Weg), de Nederlandse vereniging van Messiasbelijdende Joden; ze is redacteur van liet gelijknamige blad van deze vereniging en vervulde ook een niet te onderschatten rol in de internationale vereniging van Messias-belijdende Joden, de International Hebrew Christian Alliance. Daarnaast is ze voor Hadderech al jaren lang lid van het Interkerkelijk Contact Israël, vervult ze vele spreekbeurten en leidt diverse Bijbelkringen. Een gesprek met haar is een boeiende ervaring; ik zocht haar op in haar woning te Rotterdam.

 
Mevrouw Eberlé, kunt u in het kort uw levensloop weergeven?

Ik ben in 1914 geboren in Manchester, Engeland. Mijn vader was een Jood, afkomstig uit Nederland, maar vertrok naar Engeland als musicus; ook mijn moeder was joods een echte Jiddische mamma.

Ik trad in het huwelijk met Leo Fuld, maar aan dat huwelijk kwam spoedig een eind. Daarna huwde ik met Oscar Eberlé, met wie ik 55 jaar gelukkig ben geweest.

In de Tweede Wereldoorlog verloor ik mijn hele familie. Zelf hebben we in Rotterdam de meest verschrikkelijke dingen meegemaakt: het bombardement, honger, de hongerwinter, hongeroedeem, ziekte enz.

Midden in de Tweede Wereldoorlog kreeg ik het boek van Scholem Asch in handen: De Nazarener. Ik las het in één adem uit en ontdekte in dat boek dat Jezus een Jood was, dat alle apostelen Joden waren en Maria ook! Ik sprak erover binnen mijn vriendenkring, velen van hen waren christelijk, en vroeg: ‘Waarom hebben jullie me dat nooit verteld? Jullie moeten je schamen!’

Eén van mijn vrienden. Ernst Meininger, verwees mij door naar een zekere Philipp Trostianetsky, een Messiasbelijdende Jood die tot taak had zending te verrichten onder de Joden.

Ik zei: ‘Dat nooit’, want ik geloofde niet eens in God, en bovendien had ik van huis uit een hekel aan ‘Jodenzending’; als bij ons thuis het gereformeerde blaadje ‘De Messiasbode’ kwam, trok mijn vader er briesend met een rood potlood dikke rode strepen overheen, en daarna moest ik het naar de postbus brengen: retour afzender.

Maar een poos later ontmoette ik weer iemand, die hetzelfde zei: ‘Ga naar Trostianetsky!’ Op een gegeven moment had ik een telefoongesprek met ene mevr. Knuttel, een majoor van het Leger des Heils, waarin ik weer hetzelfde advies kreeg. Ik dacht: dat is ook toevallig; totdat ik in mij een gedachte, zoiets als een stem, hoorde, die zei: ‘Dat is geen toeval, dat is God!’

Ik ben naar Trostianetsky toegegaan en hij onderwees mij vanuit het joodse Evangelie in de eerste beginselen van het geloof. Toen er niets meer te ‘bederven’ viel ben ik in de Kerk gekomen.

Bij Ds. Buskes heb ik belijdenis gedaan en door hem ben ik gedoopt. Maar de kern van het geloof had ik nog niet te pakken. Later kreeg ik het moeilijk met veel preken omdat je zo veel moest doen. In die tijd kreeg ik het boekje van dr. Hoek in handen over Dr. Kohlbrugge: ‘De onheilige heilige.’ Dat was brood voor mijn hart, omdat ik daarin het woord ‘genade’ leerde spellen, en dat woord is sindsdien voor mij het belangrijkste woord! Van dr. Gravemeijer erfde ik alle boeken van Kohlbrugge. En dat van die genade werd in Israël geïntegreerd. Na die tijd kwam ik terecht in diverse joods-christelijke verbanden en heb daaraan vanuit die overtuiging veel tijd gegeven, overigens met vreugde!

 
Wat bij Messiasbelijdende Joden nogal opvalt is dat zij zoveel moeite ervaren in de Kerk. Hoe komt dat eigenlijk?

Ja, dat is niet met een paar woorden te zeggen. Ik ging eens naar een vergadering van ‘Vrienden van Kohlbrugge’, want ik dacht: dat moet het zijn, daar zitten allemaal mensen die stralen van die genade en nergens moeilijk over doen, maar dat was een bittere tegenvaller: alles was daar zwart! Al zagen ze daar de genade. En dat kan niet van allen in de Kerk gezegd worden.

Wij hebben het zo moeilijk in de Kerk omdat daar eerst helemaal gedacht werd volgens het stramien van de vervangingstheologie: de Kerk in de plaats van Israël. Wat wij Joden naar het hoofd geslingerd kregen in heel wat preken is niet met een paar woorden te zeggen.

Nu is het helemaal omgeslagen: in de zogenaamde leerhuizen is het nu zo ver dat Joden bijna verheerlijkt worden. Die christenen laten zich inpakken, het bouwwerk van de rabbinistische theologie wordt omarmd als het jodendom, en de christenen houden Christus achter de rug. Je mag tegenwoordig ook niet meer over Paulus praten, die nota bene het grootste deel van het Nieuwe Testament geschreven heeft.

Dat brengt met zich mee dat men bang is voor Messiasbelijdende Joden. Ze zwijgen ons dood. Wij mogen nergens aan meedoen, behalve aan het ICI, en dat hebben we onder andere aan de Chr. Gereformeerden te danken. Terwijl wij een uitverkiezing in de uitverkiezing zijn.

De Messiasbelijdende Joden zijn de kern, maar men heeft ons naar de rand geschoven. Het is toch een teken aan de wand dat we niet in het OJEC mogen? Ik vraag: waarom toch niet? Jezus zou ook niet in het OJEC mogen! Nu vraag ik je...!

 
Maar wat zou de Kerk dan moeten doen richting Messiasbelijdende Joden?

De Kerk moet gaan erkennen wat God gedaan heeft: de Messiasbelijdende Joden zijn de kern: heel het Nieuwe Testament is door Messiasbelijdende Joden geschreven: de anderen, jullie, nakomelingen van de heidenen die Donar en Wodan vereerden en bier dronken uit de schedels van de overwonnenen, zijn erbij gekomen. De Kerk moet daarom eens naar ons gaan luisteren! Nu wordt er alleen maar geluisterd naar de Joden die het Evangelie niet willen, al kun je je afvragen wat het is: luisteren of je in laten pakken.

 
Maar de Kerk moet toch de dialoog aangaan met Israël?

De Kerk zou niet alleen een dialoog met Israël moeten aangaan, maar ook de Messiasbelijdende Joden er eens bij betrekken en zich eens gaan verdiepen in de literatuur van auteurs uit de wereld van de Messiasbelijdende Joden. Daar moeten ze in de universiteiten eens op gaan studeren. Zoals de Kerk zich nu in het jodendom verdiept, zo zou ze zich zeker moeten verdiepen in de Messiasbelijdende Joden en hun visie.

 
Hoe zou de positie van de Messiasbelijdende Joden in de Kerk er uit moeten zien?

Kijk, wij zitten er echt niet op te wachten om keppeltjes etc. te gaan dragen in de Kerk, dat moet dan zo nodig hier en daar, maar dat is zo uiterlijk allemaal, en als je weet dat het om genade gaat, dan hoeft dat allemaal niet meer! Mensen uit die gemeenten komen bij mij en dan merken ze: dat hoeft allemaal niet meer, wat heerlijk, we mogen weer zelf denken. Al vieren we wel de seder. Anders weet je niet wat het Avondmaal is.

Maar de Kerk heeft de band met de kern losgelaten. En dat is al begonnen na de tweede eeuw. Waar is de sabbath gebleven, waar is het Loofhuttenfeest gebleven, waarom zijn de data van de joodse en de christelijke feesten uit elkaar gehaald? Wat is dat eigenlijk: Kerstfeest op 25 december, en zo’n kerstboom; dat moesten ze allemaal invoeren omdat ze de kern loslieten! Als je de data van de feesten uit elkaar haalt haal je alles uit elkaar. Laat de kerken deze verkeerde dingen eerst eens gaan rechtzetten.

 
Bijvoorbeeld weer terug naar de sabbath?

Ach, ik ben niet zo’n sabbatshouder, maar het gaat vanzelf! Niet wettisch, want dan is de genade geen genade meer. Maar in de lijn van Paulus: Alles is geoorloofd, maar niet alles is dienstig. Een niet-wettische sabbath, die dienstig is, een heerlijke rustdag voor allen en alles, dat is toch heerlijk. Maar alstublieft niet met al die discussies over wat nu wel of niet mag. Die doorgevoerde wetten van het jodendom, ach dat is alleen het bouwwerk van het rabbinisme, in de plaats gekomen van de tempel. Maar ik heb dat niet nodig. We zijn zondaren, en we hebben niet een heleboel nieuwe regels nodig, we hebben genade nodig.

 
Heeft de Kerk de taak om te getuigen richting Israël?

Neen natuurlijk! Trostianetzky was zendeling onder de Joden, ik ben zijn enige leerling die ik ken. Ik heb daar niet zoveel van gezien. God doet dat zelf. Doordat mensen het op een bepaald moment niet meer harden gaan ze onbewust de genade zoeken. Zo heeft God dat met mij toch ook gedaan? Bewaar me voor acties, bewaar me voor zoiets als ‘Jews for Jesus’. Met die petjes: Jesus is kosher...

De Kerk moet niets doen, de Kerk moet zich alleen maar bezinnen op haar wortels, op de kern, Paulus en Petrus en het Evangelie en Jezus. God zelf zorgt dan voor de rest. En hij zal heel Israël behouden. Straks in Zijn toekomst. Ik ben net als Paulus een ontijdig geborene, een zevenmaandskind. Maar eens zal heel Israël behouden en bewaard zijn. God houdt Zijn volk vast.

De Kerk is er trouwens ook absoluut niet rijp voor om naar Joden toe te gaan getuigen van Jezus Christus. Absoluut niet rijp!

 
U had het over de toekomst van Israël; u weet dat daar zeer veel verschillende visies over zijn. Wat is uw visie op de toekomst van Israël?

Die haal ik uit Zach. 12: ‘Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest der genade en der gebeden; zij zullen hem aanschouwen die zij doorstoken hebben en over hem een rouwklacht aanheffen.’ En weet u waarmee ze berouw zullen hebben? Met Jes. 53! Dat staat daarom in de verleden tijd: ‘Wij hielden hem voor een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte, maar om onze overtredingen werd hij doorboord.’

En dan gaat het beginnen. Dan zullen de Joden naar de heidenen gaan om het Evangelie te verkondigen. ‘Dan zullen tien mannen uit de volken de slip grijpen van een Joodse man, en zeggen: Wij zullen met u gaan want wij hebben gehoord dat God met u is!’

Dan zal koning Jezus te Jeruzalem gaan regeren, en dan zal daarna de nieuwe hemel en de nieuwe aarde komen.

 
Mevrouw Eberlé, zeer veel dank voor dit gesprek!